press

.

Press

Georges Tonla Briquet, Jazzenzo Nederland (25/03/2021)

http://www.jazzenzo.nl/?e=4658

Orange Moon is een pianotrio dat musiceert ver van de gebruikelijke typeringen. Niet echt verwonderlijk wanneer je drie totaal verscheiden persoonlijkheden als Manolo Cabras, Hendrik Lasure en Mathieu Calleja bij elkaar plaatst.

Gedurende een paar jaar had Brussel er vorig decennium een jazzlaboratorium bij. Onder leiding van Lionel Cataldo was Bravo goed op weg een even belangrijke rol te vervullen als de legendarische Kaai vijfentwintig jaar eerder. Zowat iedereen kwam er over de vloer, tot grote namen uit de internationale scene. Maar de plek in de Aalststraat was vooral een Belgische aangelegenheid. Het was daar dat heel wat groepen uit de jonge lichting ontkiemden. Gasten als Antoine Pierre, Igor Gehenot, Jean-Paul Estiévenart en Bram De Looze brachten er vele avonden en nachten door. Maar ook de oudere garde van de Kaai zakte graag af naar Bravo met Fabian Fiorini, Ben Sluijs, Erik Vermeulen en Manolo Cabras voorop. Het was deze laatste die het idee kreeg om samen met de piepjonge toetsenist Hendrik Lasure en polyvalente drummer Mathieu Calleja een eigenzinnig trio te vormen.

Helaas sloot Bravo in 2016 de deuren maar Cabras, Lasure en Calleja bleven gelukkig in hun trio geloven. In 2019 kwamen ze drie dagen samen in de home studio van Cabras. Uit die sessies werd ‘Orange Moon’ gedistilleerd. Het zoveelste pianotrio? Denk maar anders, aldus Cabras: “Orange Moon verschilt dag en nacht met bijvoorbeeld het trio van Marek Patrman, Erik Vermeulen en mezelf in die zin dat de ritmesectie meestal de pianist volgt. Hier is het drummer Calleja die hoofdzakelijk de richting bepaalt. Die gast is een heuse colorist. Ik vergelijk hem met Eric Thielemans. Daarnaast heb je dan Hendrik Lasure die voor de gelegenheid plaatsneemt achter een akoestische piano en alle elektronische snufjes achterwege laat. Dat hij, net als Bram DeLooze, grote fan is van Jozef Dumoulin en de New Yorkse scene met Craig Taborn, komt hier goed van pas. Ik stel mij op als de ‘missing link’ tussen die hedendaagse stroming en de ‘oldskool’ improvisatie”.

Zo klinkt deze cd ook. De basispartituren worden omzichtig schuifelend ingevuld en verrijkt met de improvisatietechnieken van deze drie muzikanten met een heel aparte achtergrond. Toch mondt hun samenspel nooit uit in een kunstzinnige stijloefening van diverse generaties. “Play like water,” zei Miles Davis ooit tegen Airto Moreira toen deze hem vroeg hoe hij het best kon spelen. Een raad die dit trio deskundig opvolgt bij de uitvoering van vier pure improstukken en zeven eigen composities van de verschillende groepsleden. Ze passen daarbij op sublieme wijze de (architectuur)wetten van de tensegrity (tension-structural integrity) toe.

Noem het desnoods kamerjazz maar dan wel met de nodige branie en originele invalshoeken. Alsof ze de ‘Poetics of Relation’ van de Caraïbische filosoof Edouard Glissant extrapoleren naar jazz en vrije improvisatie. Hoog tijd dat dit trio terug op een podium staat.

.

—————————————————————–

Ferdinand Dupuis-Panther, Jazz’Halo (17/03/2021)

Orange Moon – das sind der von SCHNTZL bekannte Pianist Hendrik Lasure, der Kontrabassist Manolo Cabras und der Drummer Mathieu Calleja.

Dabei hören wir auf dem vorliegenden Album nicht nur Kompositionen der einzelnen Musiker, sondern auch Gemeinschaftsarbeiten wie „Last Call“, „Propositions“, „Let’s Dance“ und „Carote“, der Schlusstitel. Eröffnet wird das Album mit der Komposition von Henrik Lasure namens „Viscositeit“. Das „Andante N°2“ und „To The Teachers“ stammen hingegen von Manolo Cabras und „Crystal Baby“ sowie „Moulin Le Retour“ von Mathieu Calleja.

Weiche Tastenwellen treffen in „Viscositeit“ auf langwellige Bass-Schwingungen. Hendrik Lasure entwickelt nach und nach ein perlendes Klangband, derweil Mathieu Calleja sein Schlagwerk sehr zurückgenommen einbringt, mit Blechrauschen vor allem. Und „solistisch“ lässt der Pianist des Trios den Track ausschwingen. In ähnlichem Duktus kommt „Andante N° 2“ daher. Dabei lässt der Bassist sich mit tiefer sonorer Stimme vernehmen. Lyrisch angelegt ist das Spiel von Henrik Lasure. Man hat beim Zuhören das Bild von fein rieselnden Schneeflocken vor Augen. Dieses Bild wird weggewischt, sobald Manolo Cabras mehr in den Vordergrund drängt.

Und doch ist es der Pianist, der immer wieder im musikalischen Mittelpunkt steht, auch im Fortgang des Stücks mit zerbrechlich-kristallinen sowie rollenden Klangbildern. Auch wenn „Moulin Le Retour“ aus der Feder des Bassisten stammt, heißt das nun nicht zwangsläufig, dass die Klanglinien allein vom Bassisten bestimmt werden. Zu Beginn hören wir eher ein Wechselspiel zwischen dem Tieftöner und dem Schlagwerker, der es klappern und klirren lässt. Danach steigt Henrik Lasure ins Geschehen ein, verhalten und Klänge mit Pause durchsetzend. Der Musik wohnt dabei eine gewisse Trägheit inne, so als würde eine sommerliche Hitzewelle das Leben verlangsamen.

Gemeinsam erarbeitet wurde „Last Call“: Im Zwiegespräch vernehmen wir anfänglich den Bassisten und den Pianisten. Beide lassen kurze Klangtropfen hören. Dabei gibt es keinen richtigen Spannungsbogen, scheint ein Höhepunkt nicht angesteuert zu werden. Schrill sind die Töne, die wohl der Schlagzeuger durch das Langstreichen seines Sticks an Blechrändern erzeugt. Das lässt kurz aufhorchen, aber das war es dann. Zum Schluss noch ein Wort zu „Crystal Baby“. Mathieu Callejas steht dabei im Fokus, durch Taktaktak und Blechschrillen. Dazu röhrt der Bass von Manolo Cabras, ehe dann gleichsam aus dem Off bedächtiger Tastenfluss wahrnehmbar ist.

Wie auch die anderen Stücke hat man den Eindruck, das Trio verharre in ihren Kompositionen und Improvisationen in der allgegenwärtigen Kontemplation. Klangvolle Eruptionen sind nicht festzustellen. Zu entwickelnde Höhepunkte sind nicht Teil des musikalischen Konzepts. Die Klanglandschaft, die vor dem Hörer ausgebreitet wird, bleibt eben und flach, selbst kleine Klangkuppen sind nicht vorhanden. Das muss man als Konzept wirklich mögen, oder?

—————————————————————–

Bart Cornand, Knack Magazine (03/03/2021)

Toen in het najaar de gordijnen van de Belgische podia opnieuw werden dichtgetrokken, verdwenen ettelijke projecten in de plooien van de geschiedenis. Zo verging het ook Orange Moon, een album van het trio Hendrik Lasure (piano), Manolo Cabras (contrabas) en Mathieu Calleja (drums). Omdat dat al te jammer is, leggen wij de tijd even in een lus. Orange Moon laat namelijk een andere Lasure horen, weg van de speelse tegendraadsheid van zijn band Schntzl. Cabras en Calleja maken in de jonge Bruggeling een zin voor lyriek wakker die we niet van hem hadden verwacht. Luister naar zijn compositie Viscositeit, de perfecte opener met zo veel gravitas dat je de plaat gegarandeerd wilt uitzitten tot het einde. Kortom, een uitstekende band die een tweede kans verdient. Misschien wel op een beroemd jazzfestival in – we zullen voorzichtig zijn – midden augustus?

—————————————————————–

Ben Taffijn, Nieuwe Noten Nederland (18/02/2021)

Maar laten we beginnen met het titelloze debuut van Orange Moon, ofwel pianist Hendrik Lasure, bassist Manolo Cabras en drummer Mathieu Calleja. Wat direct al opvalt is dat dit trio een neutrale naam draagt en niet die van de pianist, iets wat we bij pianotrio’s nogal eens tegenkomen, verder leverden ook alle drie de leden composities. En dat hoor je terug in de muziek, waarin de rolverdeling zeer gelijkwaardig is. Verder valt op dat het allemaal zeer ingetogen, dromerige stukken zijn. Lesure’s speelt afgewogen, zijn bijdrage nauwkeurig doserend, Cabras vinden we melodieus plukkend aan zijn bas, hij heeft weinig noten nodig om te zingen, zie ‘Andante No2’. Iets dat we ook kunnen zeggen van Calleja, in de meeste gevallen beroert hij zijn trommels nauwelijks, met als mooi voorbeeld ‘Moulin Le Retour’. Muziek dus die uitstekend past bij deze maanden van mistroostigheid, regen, wind en lockdowns. Orange Moon houdt ons overeind.

—————————————————————–

Eric Therer, Jazzaroundmag (09/02/2021)

Un premier disque dépourvu de titre en guise de carte de visite pour ce trio qui demeure, pour l’heure inconnu, même si chacun de ses musiciens aligne moult références. Au piano, le Brugeois Hendrik Lasure qui a collaboré, entres autres, avec le quartet d’An Pierlé et le combo pop jazz Bombataz et qui a écrit la musique de plusieurs pièces de théâtre. A la contrebasse, le Sarde Manolo Cabras, établi à Bruxelles et opérant régulièrement aux côtés de Ben Sluijs, Manuel Hermia, Eve Beuvens, Erik Vermeulen, Lynn Cassiers… A la batterie, le Français Mathieu Calleja, également basé à Bruxelles et actif entre autres au sein du collectif de percussions Sysmo. Chacun des trois participe à part égale à la composition de la petite douzaine de morceaux réunis ici. Aucun ne s’arroge un rôle tutorial ou ne cherche à prendre l’ascendant sur les autres. Tout est affaire ici d’équilibre et de respiration. Une démarche qui percole d’ailleurs sur un style aéré et délicat. On a rapproché leur musique de celle émanant des trios de Paul Motian ou de Jimmy Giuffre. Cette comparaison n’est pas sans fondement, elle s’avère même pertinente.

—————————————————————–

Akim A.j. Willems, Cultuurpakt (21/01/2021)

SCHILDEREN MET EEN MISTIG PENSEEL

Student met gegroefde ziel

Hendrik Lasure ziet er uit als de letterenstudent die je kent als de barman van je hipsterkroeg. Hij is, gerekend in ordinaire Gregoriaanse kalenderjaren, nog een broekje. Maar in het hart van deze drieëntwintigjarige woont de gegroefde ziel van een oude jazzpianist die al minstens vijf decennia het klappen van de zweep kent. Wat. Een. Talent. Met SCHNTZL – daar kenden wij hem van – won hij in 2015 de jazzwedstrijd van Vrijstaat O in Oostende en in datzelfde jaar – hij was pas achttien – werd hij op het jazzconcours van Avignon onderscheiden als beste componist. Redenen genoeg om ons nieuwsgierige oor te lenen aan “Orange Moon” van Orange Moon – het trio met Lasure op piano, Manolo Cabras op contrabas en Mathieu Calleja op drums.

Finse sauna

“Orange Moon” telt elf composities – vier collectieve stukken, twee nummers van de hand van Lasure, drie tracks uit het brein van Cabras en nog eens twee composities die Calleja uit zijn mouw schudde – die een strak en intimistisch geheel vormen.

Wie het geheel open breekt, vindt elf miniaturen waarin de drie instrumenten afwisselend de leiding nemen om het plaatje te schilderen – maar altijd met zachte hand en mistig penseel.

De tracks op “Orange Moon” durven de tijd nemen, hoewel ze gemiddeld na ongeveer drie en een halve minuut op de klok afronden. De composities hebben alles behalve haast. Haast lijzig dralen ze van de eerste noot naar hun slotakkoord zonder dat de spanningsboog een keer inzakt. “Andante n° 2” – what’s in a name – spant daarin de kroon. Maar ook “Moulin Le Retour” (waarin de percussie het trio bij momenten subtiel toch tot enige spoed lijkt aan te manen), “Last Call” (waarin het trio een atypisch piano-trio geluid zoekt en vindt) of opener “Viscositeit” zijn tracks die, wat ons betreft, de zweverige muzak die we doorgaans voor de kiezen krijgen in de Finse sauna definitief mogen vervangen.

“To The Teachers”, “Propositions” en “Crystal baby” zijn wat nerveuzer van aard – voor zover “nerveus” geen overspannen term is binnen het intimistisch kader van de hele cd. Het zijn eerder kort en haastig wijzende vingers die de luisteraar er af en toe attent op maken niet te ver af te dwalen in de warme loomheid die je kan overvallen bij het beluisteren van het debuut van dit trio.

Duister en hees

Orange Moon laat met dit debuut een heel eigen stem – ze fluistert een beetje duister en hees – horen. En toont nu al een uitgesproken eigen identiteit. Wij zijn benieuwd wat er nog zal volgen tussen vandaag en de tijd waarin Lasure zelf die oude pianist zal zijn. Laat maar komen!

—————————————————————–

Eyal Hareuveni, Salt Peanuts (12/12/2020)

Orange Moon is a Brussels-based piano trio formed in 2016 by Belgian pianist Hendrik Lasure, Italian double bass player Manolo Cabras and French drummer Mathieu Calleja. The self-titled «Orange Moon» is the debut album of this trio, offering its acoustic and intimate, chamber jazz aesthetics, influenced by the legacy of Jimmy Giuffre Trio (and especially the role of Paul Bley in this trio) and Paul Motian with strong influences from contemporary European classical music.

The 11 pieces were written by the three musicians. The intimate atmosphere is intensified by the close interplay and the economic and subtle nature of the melodic, often impressionist themes, almost miniatures. But within this relaxed atmosphere, Lasure, Cabras and Calleja found a distinctive trip sound of their own. They always attempt to test the familiar dynamics of a jazz piano trio, exchanging leading roles and occasionally search for new timbral options.

«Andante N°2», «Compro», «Tin Tin» and «Caronte» stress the subtle and unpredictable manner of developing a wide range of melodic and playful themes, while improvising and investigating surprising but highly nuanced timbral detail. «Moulin Le Retour» and «Crystal Baby» revolve around the fractured yet inventive pulse of Calleja, with minor but poetic contribution of Lasure and Cabras. «To The Teachers» highlights the seminal influence of Paul Bley on Lasure’s sonic language and syntax. The collective improvisation «Last Call» proves that this fine and modest trio knows how to take risks and experiment with sparse textures.

—————————————————————–

Pierre Dulieu, DragonJazz (28/11/2020)

Het houdt maar niet op met die eigenzinnige piano- trio’s uit België. Na het LAB Sur Viscositeit qui ouvre cet album, la musique d’Orange Moon apparaît d’emblée mystérieuse et évanescente, comme des murmures discrets dont le sens se dérobe à l’écoute la plus attentive. On ressent toute la grâce de ce trio en apesanteur qui crée un univers vaporeux et frémissant, un monde quasi irréel en permanence noyé dans un brouillard qui en dissimule les formes. On pense aussi bien à Erik Satie qu’à Paul Bley (celui d’Open To Love) qui ont fait du silence, de la retenue et d’une approche minimaliste les clefs de voûte de leur art musical respectif. Mais la musique du pianiste Hendrik Lasure, du contrebassiste Manolo Cabras et du batteur Mathieu Calleja évoque aussi d’autres références comme sur To The Teachers où pointe quelques dissonances qu’on remarque à peine tant elles sont adéquatement ancrées dans l’ambiance dématérialisée d’un répertoire qui invite globalement au rêve et à la méditation.

Même la pièce intitulée Let’s Dance n’a rien à voir à une invitation pour le dancefloor, sauf si l’on considère la danse comme une gestuelle ample et libératrice permettant de communier avec la nature plutôt qu’avec ses semblables. Sur Tin Tin, le phrasé du pianiste se fait plus volubile, lâchant des clusters de notes expressionnistes qui invoquent la liberté d’un Cecil Taylor (celui d’Indent) que le producteur Manfred Eischer aurait convaincu d’enregistrer pour ECM. Le trio retrouve la sérénité avec Caronte qui clôture le disque ; une sérénité un rien inquiétante quand même avec cette contrebasse en arrière-plan que Manolo Cabras fait grincer et gémir comme une âme en peine.

Orange Moon, le disque, est un projet avec une ligne directrice et une forte identité tandis que le trio qui en est l’auteur a su donner à ces belles mélodies éthérées un charme inhabituel qui perdure longtemps après l’écoute.

—————————————————————–

Orange Moon à la Jazz Station

C’est avec le coeur assez lourd que Kostia Pace (directeur de la Jazz Station) présente le groupe de ce samedi soir. Les
conditions Covid ont encore évolué et contraignent le club à se passer du bar (financièrement, mais aussi en terme de
sociabilité, c’est un coup dur). Mais il faut faire vivre la culture et maintenir la musique live. Alors, la Jazz Station s’accroche. Et le public répond présent. La salle est en effet sold out (suivant les conditions imposées et dans le respect des règles sanitaires) pour honorer la sortie de l’album Orange Moon (El Negocito Records) de Manolo Cabras (cb), Hendrik Lasure (p) et Mathieu Calleja (dm). Les trois musiciens ont pris leur temps pour élaborer un répertoire qui n’appartient qu’à eux. Tout s’est fait régulièrement, posément, après des repas entre amis, histoire de créer une belle atmosphère. C’est sans doute pour cela qu’il émane de cette musique une sorte de confidence, de convivialité et d’apaisement. Tout est soyeux et vaporeux avec « Viscositeit », tandis que « Andante N°2 » démarre nerveusement pour aussitôt se faire plus paisible. Les notes se dispersent, le tempo ralenti, se détend. La respiration entre les trois instruments se régularise, se calme. Le trio distille des pièces courtes, des miniatures presque. Tout se joue en non-dit, à l’économie et laisse la place à l’élégie. « To The Teachers » est cependant plus vindicatif. Il y a quelque chose
de Monkien dans ce thème, en plus plus actuel (si tant est que Monk ne soit pas actuel (??!)). On y décèle une pointe de Paul Bley, de Keith Jarrett ou de Morton Feldman peut-être. La musique est très ouverte, presque abstraite, avant-gardiste en tout cas, mais très accessible. Le mélange des genres – parfois proches – est subtil et bien dosé. On ressent les points de vue de chacun des musiciens qui, selon qu’ils aient  écrit le thème ou non, apportent un relief particulier. Certaines mélodies rappellent lointainement Bill Evans mais sont vite évacuées pour laisser la place à quelque chose de plus dépouillé encore et dans un esprit plus contemporain. Hendrik Lasure éclabousse le thème d’un jeu ample et le drumming tachiste de Mathieu Calleja fait le reste.
Sur « Crystal Baby », un peu plus expérimental, Manolo rend aphone sa contrebasse, la fait grincer et gémir en frottant le bois et les cordes à mains nues ou du bout de l’archet. Les notes éparses de piano et de la batterie tentent de baliser un chemin. Et, étonnamment, tout le monde suit. Orange Moon aime les contradictions, les surprises, le non conventionnel (comme ce « Speedy Gonzales » nocturne et surtout ultra lent) et nous invite dans un voyage ouaté, magnétique, presque mystique. Le public, très attentif, semble hypnotisé. Il est aussi silencieux (et respectueux) que la musique est spirituelle et organique. On est en apesanteur, presque dans un coma blanc… Voilà une belle expérience collective qui rappellent les sensations que peuvent procurer la musique.
Kostia avait raison, les sentiments se révèlent plus intensément encore en live.

—————————————————————–

Herman te Loo, JazzFlits 346 p.7 (02/11/2020)

“Het houdt maar niet op met die eigenzinnige piano- trio’s uit België. Na het LAB Trio, De Beren Gieren, Lawaai en Donder krijgen we nu Orange Moon gepresenteerd. Het titelloze debuutalbum brengt twee jonge talenten en een routinier samen voor een verrassende staalkaart aan muziek. Pianist Hendrik Lasure kennen we van het duo SCHNTZL en ook drummer Mathieu Calleja valt in de categorie ‘jong talent’. Bassist Manolo Cabras heeft een indrukwekkend cv met namen als Toots Thielemans, Ben Sluijs, Erik Vermeulen en Manuel Hermia. Ze brengen hun muzikale kwaliteiten als collectief aan de man en de tracklist van het album laat composities van alle drie alsmede collectieve stukken zien. Lasure beschikt over een subliem, licht en klassiek aandoend toucher, waarmee hij soepel en nooit te nadrukkelijk voor de melodieën en akkoorden zorgt. Hij kan zich ook goed wegcijferen, en op de achtergrond behoedzaam het muzikale discours van kanttekeningen voorzien. Een goed voorbeeld is ‘Moulin le retour’ waar Cabras en vooral Calleja de vrije ruimte benutten voor een avontuurlijk muzikaal verhaal. Veel van de stukken zijn kalm, overdacht en rubato van aard, en hebben de elegantie van klassieke muziek. Daar waar het trio zich wel aan ritmiek en tempo waagt, komt de naam van Paul Bley bovendrijven, zoals in ‘To the teachers.”.

—————————————————————–

.

Jazz’halo © Bernard Lefèvre

.

Pianist Hendrik Lasure bekend van bij SCHNTZL in duo met Casper Van De Velde, in trio met Easy Pieces of nog met de zevenkoppige band Warm Bad, hield er daarnaast al enige tijd een eigenzinnig trio op na: Orange Moon. Dit pianotrio liet zich al in 2016 opmerken en vormt een hecht collectief met input van drie geïnspireerde improvisatiemeesters die elk ook nog individueel hun persoonlijkheid uitdrukken.

Voor ‘Viscositeit’ en ‘Compro’ tekent Hendrik Lasure uitgesproken minimalistisch en beeldend, terwijl ‘Andante N°2’, ‘To The Teachers’ en ‘Tin Tin’ het iets nerveuzer karakter uitdragen van bassist Manolo Cabras en zo ook drummer Mathieu Calleja in zijn eigen werk ‘Moulin Le Retour’ en ‘Crystal Baby’ subtiel en expressief zijn stempel drukt.

Alle muzikale trekjes van deze drie persoonlijkheden vallen helemaal in de plooi terwijl ze open en ook verder nog gezamenlijk improviseren in ‘Last Call’, ‘Propositions’, ‘Let’s Dance’ en ‘Caronte’.  De ingehouden en impressionistische klankkleur roept bij mij het Noorse trio van pianist/kunstenaar Svein Finnerud op. En ook bij Orange Moon raakt me het beeldend karakter van de muziek en de link naar de natuur, van fjorden tot de volle maan. Het nodigt uit tot een introspectief beleven.

Orange Moon is moderne triojazz die melodisch getriggerd, maar met een free jazz geladen spanningsboog, diep gevoelig raakt.

Laat je onderdompelen in het voor deze donkere dagen feeërieke spel van Lasure – Cabras – Calleja bij een oranje of volle maan. Voor de nieuwsgierigen: volle maan komt eraan op het eind van de volgende maanden en de supermaan op 27 april 2021!

© Bernard Lefèvre

—————————————————————–

untitled

—————————————————————————————-

kalimi otona no kagaku

Guillaume Belhomme © Le son du grisli

C’est pour le moment la seule référence de Kalimi, duo que forment Giovanni Di Domenico (électronique et claviers) et Mathieu Calleja (batterie) – la paire est déjà associée dans le quartette Going –, mais elle promet.

De voir se développer, notamment, une association qui fait de l’acharnement instrumental le premier élément de ses franches conversations. Au Rhodes, Di Domenico sature souvent quand son électronique multiplie les sorties de piste ou façonne de longs signaux. Quant à Calleja, qu’il agace son partenaire ou marque mollement le temps, il bout sans discontinuer et entretient la flamme qui fait de cette improvisation ex abrupto un bien joli baptême.

http://grisli.canalblog.com/archives/2016/02/02/33310371.html

—————————————————————————————-

‘Going I’

front_front

by Just Outside – Brian Olewnick, USA (in english): link

A double duo of two keyboards (Giovanni Di Domenico and Pak Yan Lau) and two percussionists (Joao Lobo and Matthieu Calleja). While I know I’m not the onl one out there with an abiding and unreasonable love of the sound of a distorted Fender Rhodes, I’m probably in smaller company with my long-term affection from that early ECM release from Keith Jarrett and Jack DeJohnette, “Ruta & Daitya” (the former’s last venture into electronics?). Going doubles down on the instrumentation while summoning up a similar post-Milesian spirit, with related rhythms and keyboard scurrying. It lacks the over-the-top funkiness of the earlier work (sometimes the beats are a bit leaden, as in “Fara”). An unfair standard to hold this quartet to in any case and on its own the music flows pretty well. Maybe, in a more contemporary vein, think of it as a variant on Radian or Trapist–enjoyable, lightly beat-driven music with imaginative, keyboard-oriented washes and distortion atop. A fun trip.

—————————————————————————————-

by Monsieur Delire, Canada (in french and english): link

La semaine dernière, j’ai chroniqué un très bon disque de Mulabanda, un groupe qui me faisait penser à Elephant9 et Supersilent. Je maintiens la comparaison avec Supersilent dans le cas de Going, un autre quatuor dont deux des membres font aussi partie de Mulabanda. L’alignement, cette fois, consiste en les claviéristes-électroniciens Giovanni Di Domenico et Pak Yan Lau, et les batteurs João Lobo et Mathieu Calleja. Mélange d’improvisation et de composition sur fond de polyrythmes, claviers aux effets très variés, parfois mélodiques, souvent texturaux. Si “Skal” montre des longueurs, “Nagpapatuloy” et “Mynd” sont fort efficaces et, de toute manière, ce premier opus en met plein les oreilles. Paru sur vinyle, comme le Mulabanda.

Last week I reviewed a very good record by Mulabanda, a band who reminded me of Elephant9 and Supersilent. I maintain the comparison with Supersilent in the case of Going, another quartet with two members also playing in Mulabanda. The line-up this tim is keyboardists/electronicians Giovanni Di Domenico and Pak Yan Lau, with drummers João Lobo and Mathieu Calleja. A blend of composition and free improvisation resting on a bed of polyrythms, with variously-effected keys that can sound both melodious and textural. “Skal” goes on for too long, but “Nagpapatuloy” and “Mynd” are strong tracks and, in any case, this debut LP has a lot to offer.

—————————————————————————————-

by RifRaf magazine (BE, in french): link

Going. Comme Boeing. Comme Mulabanda. Tout là-bas, vers le trou noir. Opacité immédiate, décollage latent, il faut du temps et/ou un certain dégoût de la pop conven- tionnelle et/ou une propension à la transe pour rentrer dans ces deux pièces maîtresses. Ou bien l’envie d’en découdre avec autre chose, la volonté de creuser dans la niche, de connaître par les gouffres. Il convient donc d’abord de saluer Silent Water, nouveau label bruxellois qui sort ces deux références en vinyle numéroté (500 pour le premier / 444 pour le second), des disques qui impressionnent par leurs capacités à dégager une puissance inouïe sans jamais tomber dans la violence, la fureur ou l’explosion. Bidouillages électroniques, claviers triturés, malmenés, poussés à leurs limites, boucles opiacées saturent l’espace et convergent vers le même but : le grand trip urbain qui s’écoute à l’horizontal, dans les vapes. Une chevauchée sonique très noire, très ralentie, dronesque dans l’esprit qui pourrait autant séduire les amateurs des Liars que ceux de Mountains (le groupe de l’excellente écurie Thrill Jockey). Près de chez nous, on pense tout simplement aux inclassables South Of No North. Deux hommes-machines officient dans les deux groupes : Giovanni Di Domenico et Joao Lobo, respectivement aux claviers et à la batterie. Issus du même ADN, Going et Mulabanda n’en ont pas moins leurs propres singularités. Le premier avec ses deux claviéristes et ses deux batteurs crée un groove désarticulé, saturé, répétitif. Le deuxième avec l’ajout d’un saxophone constamment distordu frôle par moment le bruitisme pur (face B). Ecouté au bon moment, avec les expédients idoines, ça peut être une belle claque. (lg)

—————————————————————————————-

by Jurgen Boel, Enola zine (in dutch): link

Dat de klassieke rockformatie gitaar-bas-drum al lang niet meer zaligmakend is, behoeft geen verdere commentaar. De talloze groepen die net in uitgebreidere of minimalere bezetting werken zijn niet te tellen, al blijven ook hier bepaalde combinaties de voorkeur genieten boven andere. Het geeft echter geen keer zich hierop blind te staren, want zonder goede songs is zelfs de meest exotische samenstelling niet meer dan een mislukt experiment.

Wat dat betreft, hoeft het Belgische Going zich vooralsnog geen zorgen te maken. Want ook al trekt de groep in de eerste plaats de aandacht door zijn ongewone bezetting van twee drummers en twee pianisten/orgel- en keyboardspelers, het zijn wel degelijk de songs zelf die de bands debuutplaat I meerdere luisterbeurten ontlokt. Uiteraard brengt de aparte samenstelling bepaalde keurslijven en beperkingen met zich mee (hier geen vlotte popsongs), al biedt het net zo goed kansen en mogelijkheden die andere groepen niet hebben of zien (wie zichzelf beperkt, dwingt zichzelf immers ook creatief te zijn). En ook al wordt het experiment op dit debuut nog voorzichtig en behoedzaam aangepakt, de meerwaarde is wel degelijk aanwezig.

”Iri” start veelbelovend met rommelende geluiden die overgaan in heldere bellen die overstag gaan wanneer niet alleen nieuwe orgelklanken zich aanbieden, maar ook de drums een solide basis neerleggen. Echo’s naar obscure jaren tachtig horror- en sc-fi-flicks zijn nooit ver weg, met een speciale vermelding voor John Carpenter uiteraard. Vreemd genoeg laten de nochtans geschoolde muzikanten enkele malen op een storende manier het ritme vallen (doelbewust ongetwijfeld) en dat dreigt de vaart van het nummer te verbreken. Het is een kleine smet op een song die zich in zijn tweede helft evenzeer weet te bewijzen door opnieuw voor tegendraadse ritmes te kiezen die ditmaal wel passen binnen de zee van geluiden.

Nu de toon gezet is, kan er moeiteloos overgeschakeld worden naar “Mynd”, een op tribaal echoënde beats voortbordurend nummer dat de keyboards/orgel de teugels laat vieren in een dronken wals. “Pral” heeft — nog meer dan de vorige songs — een duidelijke voorkeur voor een afgemeten ritme waarboven de vrije klanken van keyboards en aanverwanten zweven kunnen. De onderhuidse dreiging die in het bijzonder van de drums uitstraalt, vindt een “partner in crime” in de keyboards die opteren voor een glazen geluid. Van een geheel andere orde is het “afsluitende” (van de eerste plaathelft wel te verstaan) “Fara” dat zich als een nukkige motor op gang trekt en met een gestage, trage gang verder sleept. Het contrast tussen de “slome” drums en speelse orgels weet helaas niet over de hele lijn te overtuigen, al blijft het doel van de band wel herkenbaar.

De tweede plaathelft opent met het knappe “Nagpapatuloy” dat zich duidelijk fan verklaart van de kosmische jaren zeventig en via het toetsenwerk zowel lome baslijnen als buitenruimtelijke melodielijnen. De standvastige beats zorgen zowel voor een houvast als een tegendraads antwoord dat zich bij een te bewuste beluistering opdringt, maar zich binnen een totaalervaring uitstekend van zijn taak kwijt. Het korte, dreigend slepende “Ag Dul” houdt het bij louter keyboards en vormt de perfecte brug naar het uitbundigere “Skal” dat de drums “vrije loop” laat en zich van een meer jazzy kant toont . Het is de enige song waarin de drums echt op de voorgrond treden en de nochtans energieke keyboards naar het achterplan weten te dwingen. Opvallend genoeg is het ook het enige nummer waarin de meerwaarde van twee drummers pas echt uitgespeeld wordt en de band voluit zichzelf durft te zijn.

I is duidelijk schatplichtig aan de jaren zeventig met in het bijzonder kosmische muziek en oude horror- en science fictionsoundtracks, zij het dat Going minder rechtstreeks dan pakweg Köhn naar het tijdperk en genre knipoogt. Toch weet de groep zich te weinig uit een opgelegd keurslijf te wringen waardoor het potentieel van de bezetting slechts in “Skal” echt tot zijn recht komt. I is daardoor geen plaat geworden die een zelfbewuste beluistering voluit doorstaat, al is dat laatste niet vreemd aan het genre op zich. Wie evenwel bereid is mee te gaan in de atmosfeer die Going creëert, kan in het album een wonderbaarlijke trip vinden die bovenal laat horen waartoe de groep in staat is, op voorwaarde dat hij echt bereid is de teugels te laten vieren.

I is uitgebracht op 500 exemplaren en kan onder meer via de website van het label besteld worden.

—————————————————————————————-

by Percorsi Musicali (in italian): link

Il nome scelto da questo gruppo non è probabilmente casuale: Going potrebbe essere una parafrasi di Gong, il famoso gruppo di Canterbury con cui forse condivide alcuni riferimenti: se Gong sta per l’inizio di un procedimento o di un movimento, Going indica un avanzamento in corso continuo. E la musica ne dovrebbe rispecchiare le prerogative. Qui i synths emuli del progressismo musicale inglese degli anni settanta si uniscono al beat implacabile del duemila: atmosfere che stanno in mezzo al guado tra creazione della trama e reazione sonica. I partecipanti al quartetto, oltre a Di Domenico, sono la tastierista belga dai natali a Honk Kong, Pak Yan Lau, e i due percussionisti, il portoghese Joao Lobo e il francese Matthieu Calleja. L’obiettivo è quello di raggiungere un ragguardevole risultato d’avanguardia tramite una scrittura ampia che comprende anche una serie di rumori/suoni campionati e selezionati al fine di dare un immagine non fredda dell’elettronica combinata con gli strumenti ed aderente all’espressione del gruppo.

—————————————————————————————-

—————————————————————————————-

new review of “Antez, Mathieu Calleja, Miguel A. García, Artur Vidal . Malasaña” (released by OBS in 2014) by Ed Pinsent in “The Sound Projector” webzine

THE ROOM OF GREY
http://www.thesoundprojector.com/2015/…/04/the-room-of-grey/

More from the Miguel A. García package of 11 August 2014. Radical Demos #4 (OBS RD#4) contains three CDRs of music described as “live/improv, sensory electroacoustics, noise”, and showcases a number of contemporary talents, released on a curious Russian micro-label called Observatoire and minimally packaged in a consistently grey colour scheme throughout.

The first item’s a group coalition, featuring Antez, Mathieu Calleja, García and Artur Vidal, calling themselves Malasaña for this outing. Malasaña is a thriving part of Madrid which can safely claim to be as hip as the Lower East Side, Brixton Market and Brighton’s Trafalgar Street put together. More to the point, it has a proud history of “unrest and civil disobedience”, going back to the time of Goya. In this hymn to the glories of the fallen of Malasaña, two percussionists, electronic fizz, and a saxophone are used; it’s like a slower and colder version of AMM with added digital scrunch, but the team gradually begin to thaw out and deposit huge chunks of ice in the frozen waters. These long and portentous groaning tones, with a lot of metallic flavour in mix, tend to create the impression of solemn cranes hauling bundles of stern frowning men from the cargo hold of a gigantic container ship onto the harbourside. There’s a world shortage of “seriousness” now; poorer countries have to import it in bulk, conforming to international trade agreements, or even worse they must attempt to smuggle it in.

 
May 4, 2015The Room of Grey More from the Miguel A. García package of 11 August 2014. Radical Demos #4 (OBS RD#4) contains three CDRs of music described as “live/improv, sensory electroacoustics, noise”, and showcases a…
thesoundprojector.com

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.